U bent hier:: Home > Prijzen> Dissertatieprijs > Juryrapporten


Juryrapport AvT/Anéla dissertatieprijs 2016

 

Naar de dissertatieprijs 2016 konden dissertaties meedingen die verdedigd waren in het academisch jaar 2015/2016 (specifieker: die verdedigd waren tussen 16 juli 2015 en 15 juli 2016). Er werden  in totaal 7 dissertaties ingediend, afkomstig uit heel Nederland. Wat opviel was de verscheidenheid aan proefschriften: van historische corpora tot computersimulaties, van klankonderscheidingen tot communicatieve gestures. Gemeenschappelijk aan al deze proefschriften is dat zij zeer goede voorbeelden zijn van hoe taal vanuit diverse invalshoeken kan worden geanalyseerd.

 

Er was een jury samengesteld die uit de breedte van die sterke inzendingen, een lijst van nominaties mocht bepalen. De jury bestond uit 5 leden: Frank Drijkoningen (Universiteit Utrecht), Ed Elbers (Universiteit Utrecht), Brigitte Planken (Radboud Universiteit Nijmegen) en Rob Schoonen (Radboud Universiteit Nijmegen), en ondergetekende, Merel Keijzer (Rijksuniversiteit Groningen), die voorzitter van de jury is. Janine Berns was secretaris vanuit AvT en Nivja de Jong ondersteunde als schaduwsecretaris vanuit Anéla. Juist omdat de kwaliteit van alle ingediende proefschriften bijzonder goed was, was het voor de jury moeilijk een shortlist samen te stellen. De jury beoordeelde en vergeleek de proefschriften op de volgende punten: reikwijdte, methodologie, vakmanschap, originaliteit, impact en helderheid van verslaglegging. Na een zorgvuldige afweging kwam de jury tot de volgende shortlist, in alfabetische volgorde gepresenteerd:

 

 

  • Barend Beekhuizen. Constructions Emerging: A usage-based approach of the acquisition of grammar (Universiteit Leiden).
  • Kashmiri Stec. Visible Quotation: The multimodal expression of viewpoint (Rijksuniversiteit Groningen).
  • Eva van de Sande. Executive Functions for Early Literacy Learning (Radboud Universiteit Nijmegen).

 

 

De jury was het eens over de hoge kwaliteit en originaliteit van deze drie dissertaties. De proefschriften getuigen van een groot vakmanschap, een uitstekende methodologische aanpak, een heldere verslaglegging, en waardevolle reflectie op en discussie van resultaten. Ook vielen er verschillen op tussen de dissertaties. Een van de proefschriften (Beekhuizen) is een monografie, de andere zijn een coherente bundeling van artikelen (van de Sande en Stec). In de proefschriften van Beekhuizen en Stec wordt het theoretische en methodologische fundament van de studie gelegd alvorens de uitkomsten van de modellering (Beekhuizen) en van empirische studies (Stec) worden gepresenteerd. Van de Sande bouwt voort op reeds voorhanden kennis en methoden, maar stelt zich daarbij ten doel een brug te slaan tussen theorie en praktijk, tussen onderzoek en interventie. De specifieke kwaliteiten van de drie dissertaties worden hieronder in het kort weergegeven, wederom in alfabetische volgorde van auteurs gepresenteerd:

 

In zijn inspirerende en helder gestructureerde proefschrift, bouwt Barend Beekhuizen verder op de computationele traditie die het proces van taalverwerving probeert te modelleren.

Zijn werk geeft aanleiding tot interessante discussie tussen een UG en UB perspectief, onder andere over de grammaticale patronen die in een UG perspectief unlearnable geacht worden, en over de plaats van competence (en het onderscheid tussen competence en performance) in de UB benadering. Beekhuizen bouwt niet alleen voort op eerdere pogingen de taalontwikkeling te modelleren, hij levert ook een bijdrage aan de manier waarop ruis en onzekerheid van taalinput kunnen worden geschat door een analyse van video-opnamen van moeder-kind interacties. De jury erkent dat deze dissertatie een belangrijke bijdrage kan leveren aan de theorievorming over taalverwerving, ook al is de afstand tussen de psychologische realiteit van het proces van taalontwikkeling van kinderen en het gebruikte computationele model groot. Wij verwachten een grote wetenschappelijke impact van dit proefschrift, juist vanwege de veelomvattendheid en avontuurlijkheid van dit onderwerp en de manier van aanpak.

 

In haar originele en interdisciplinaire proefschrift levert Kashmiri Stec een belangrijke bijdrage aan het begrip van de rol van lichaamsindicatoren bij het aangeven van standpunten in gesprekken. De jury was onder de indruk van de gedegen en uitvoerige behandeling van de literatuur op dit gebied, en zeker ook van de serie experimentele studies die daarop volgden: Stec vroeg vriendenkoppels om – in informele sfeer – elkaar te vertellen over iets wat zij meegemaakt hadden en daarbij analyseerde zij alle directe citaten die voorkwamen in de video-opnames. De jury prijst de manier waarop kwalitatieve, alsmede complexe en goed uitgevoerde kwantitatieve analyses elkaar aanvullen en vooral de eerlijkheid waarmee verslag wordt gedaan van de zoektocht naar de beste methode, en de manier waarop zij de resultaten van kwantitatieve en kwalitatieve methoden vergelijkt. De interdisciplinariteit van het proefschrift spreekt vooral uit het raamwerk dat gevormd wordt door embodied cognition maar waarbij ook taalkundige (discourse) insteken aan bod komen en inzichten uit onderzoek naar gestures. De jury verwacht dat dit proefschrift een grote impact zal hebben op het veld, vooral omdat het een methode presenteert waar toekomstig onderzoek mee aan de slag kan. Tenslotte was de jury geïntrigeerd door de nieuwe definitie van taalgebruik die aan het einde van het proefschrift voorgesteld wordt.

 

Het proefschrift van Eva van de Sande slaat door het koppelen van executieve functies aan ‘schoolse’ vroeggeletterdheid een belangrijke brug tussen de theorie en praktijk. De executieve functies die Van de Sande heeft onderzocht zijn vooral geheugen, aandacht en gedragsinhibitie. Van de Sande heeft, voorbouwend op eerder onderzoek, aangetoond dat EFs al in de vroege ontwikkeling van geletterdheid een rol spelen, en in de loop der jaren een effect blijven houden. Zij heeft daarvoor een scala aan methodologische procedures toegepast, zowel observatiestudies, longitudinaal onderzoek en interventiestudies. De jury was zeer onder de indruk van de initiatieven die al ondernomen zijn om de inzichten van dit proefschrift bekend te maken bij een breed publiek: het proefschrift wordt vergezeld van een brochure waarbij leerkrachten en ouders worden geïnformeerd over de uitkomsten van het onderzoek en ook handreikingen krijgen voor het optimaliseren van executieve functies (door bijvoorbeeld rollenspellen) maar ook voor de manier van stof aanbieden (korte en duidelijke opdrachten; het kind de opdrachten laten herhalen voor de aandacht) om zo geletterdheid goed op weg te helpen. De experimenten zijn zorgvuldig uitgevoerd en geanalyseerd. Het onderzoek was omvangrijk: veel scholen en veel leerlingen deden aan dit onderzoek mee en de verslaglegging van de resultaten en bovenal de vormgeving van het proefschrift zijn helder en effectief.

 

Vanwege het veelomvattende en zorgvuldige karakter van het proefschrift, en de verwachte wetenschappelijke impact, niet alleen voor theorievorming rondom usage-based theorieën maar ook voor inzichten in het proces van taalverwerving, heeft de jury besloten om de AVT/Anéla dissertatieprijs 2016 toe te kennen aan Barend Beekhuizen.

 

Merel Keijzer

24 januari 2017

_________________________

 

Juryrapport Anéla/AVT dissertatieprijs 2011
Dit is het rapport van de jury voor de Anéla/AVT-dissertatieprijs voor 2011. De jury bestond
uit Marian Klamer van de Universiteit Leiden, Wilbert Spooren van de Vrije Universiteit,
Marjolijn Verspoor van de Rijksuniversiteit Groningen, Hedde Zeijlstra van de Universiteit
van Amsterdam en Wim Zonneveld van de Universiteit Utrecht, tevens voorzitter, die echter
vandaag hier niet kan zijn, ik vervang hem nu om dit juryrapport voor te lezen.
Er werden 10 dissertaties voor de prijs voorgedragen. De helft daarvan overleefde de eerste
selectie, waaruit er na discussie drie werden geselecteerd voor de tweede en laatste ronde.
In beide selectierondes was er opvallend grote overeenkomst tussen de oordelen van de
commissieleden. Alle drie de proefschriften werden beoordeeld als bijzonder en excellent in
hun soort. Behalve dat waren alle drie proefschriften, zonder dat dat aanvankelijk bij de jury
was opgevallen, afkomstig van de Radboud Universiteit Nijmegen.
De drie proefschriften waaruit uiteindelijk de winnaar werd geselecteerd waren de volgende,
in alfabetische volgorde:
Susanne Brouwer (Radboud Universiteit Nijmegen)
Processing strongly reduced forms in casual speech
Promotor: Anne Cutler
Christian Burgers (Radboud Universiteit Nijmegen)
Verbal irony. Use and effects in written discourse
Promotors: Peter Jan Schellens en Margot van Mulken
Sander Lestrade (Radboud Universiteit Nijmegen)
The space of case
Promotor: Helen de Hoop
Over elk van deze proefschriften volgt nu eerst het juryoordeel, daarna wordt de winnaar
uitgeroepen.
In Brouwers proefschrift wordt onderzocht in hoeverre sprekers gereduceerde klankvormen
anders verwerken en waarnemen dan volle klankvormen. Daarbij is vernieuwend dat zij zich
niet richt op de spraak zoals die gewoonlijk onder laboratoriumomstandigheden wordt
geëliciteerd, maar op natuurlijke spraak uit corpora, afkomstig uit het Corpus Gesproken
Nederlands. In een viertal nauwkeurig uitgevoerde series van experimenten brengt zij aan
het licht dat en hoe context, in tamelijk ruime zin, een rol speelt bij de verstaanbaarheid van
gereduceerde vormen, en dat de ongereduceerde vorm lijkt te fungeren als basisvorm bij
productie.
De jury was enorm onder de indruk van de ambachtelijkheid die in dit proefschrift ten toon
gespreid wordt. De precieze manier waarop de complexe experimenten zijn opgezet en
gerapporteerd en de logica van het onderzoek stralen vakmanschap uit op het allerhoogste
niveau. De data zijn consciëntieus geïnterpreteerd en de conclusies zijn legitiem en
belangrijk. Bovendien is het proefschrift bijzonder helder en toegankelijk geschreven.
Het onderwerp van het proefschrift van Burgers is de taaltheoretische benadering van het
begrip ironie. Wat onmiddellijk opvalt, is de reikwijdte van het onderzoek. We hebben te
maken met een onderzoeker die zowel het geesteswetenschappelijke als het
maatschappijwetenschappelijke aspect van zijn onderzoek weet te hanteren, en die op beide
gebieden een originele bijdrage levert. De jury is onder de indruk van de veelheid aan
methodologieën die Burgers in dit proefschrift op zeer gemakkelijke en adequate wijze weet
te combineren. Hij zet corpuslinguïstiek net zo gemakkelijk in als experimenteel onderzoek
en taalkundige analyse. Hij geeft een zeer precieze operationalisering van het lastig te
hanteren begrip verbale ironie en gebruikt die ook systematisch gedurende het onderzoek.
Het werk benadrukt dat ironie in geschreven teksten niet homogeen moet worden opgevat.
Hij laat zien dat er wezenlijke verschillen zijn tussen vormen van ironie in verschillende
genres en dat verschillende talige markeerders en andere ironiefactoren een belangrijke rol
spelen bij de perceptie door luisteraars van complexe en minder complexe vormen van
ironie.
Een fenomeen dat eerder vaag en ongrijpbaar leek, is nu conceptueel scherp gedefinieerd,
en er mag verwacht worden dat de procedure en bevindingen voor toekomstig onderzoek
zeer nuttig zullen zijn. Ook dit proefschrift is bewonderenswaardig helder geschreven.
Lestrade opereert in zijn proefschrift op het raakvlak van syntaxis, semantiek en cognitie,
met betrekking tot naamvalssytemen. Het proefschrift is uitermate ambitieus: de auteur
probeert een allesomvattende naamvalstheorie te formuleren die zowel structurele als
ruimtelijke naamvallen onder één noemer kan scharen. Het verschil tussen een accusatief en
een naamval die een richting aanduidt, is voor hem slechts gradueel. Hij vergelijkt zijn
theorie met die van een reeks voorgangers, taalkundig zeker niet de minste, en om de
argumentatie voor zijn eigen aanpak kracht bij te zetten, hanteert hij een grote
taaltypologische database en maakt hij diachrone uitstapjes, met name op het gebied van
grammaticalisatie. Hij presenteert zijn analyses in Optimality Theory, maar schuwt niet die te
verrijken met begrippen uit usage based theorieën, die weer zijn onder te verdelen in
functionele, cognitieve en grammaticaliteitstheorieën. Uiteindelijk is zijn bijdrage hoogst
origineel.
Lestrade schuwt de grote discussies niet. Hij durft positie te nemen in een aantal van de
grote debatten rondom de bestudering van het casussysteem in allerlei talen. Hij laat in zijn
proefschrift zien overweg te kunnen met een veelheid aan literatuur die uit allerlei
theoretische scholen afkomstig is. Ook weet hij zijn argumenten te halen uit een enorme
verscheidenheid aan talen. De dissertatie is goed opgezet en gestructureerd, en helder
geschreven.
De jury had de moeilijke taak uit deze excellente proefschriften de winnaar te kiezen van de
Anéla dissertatieprijs 2011. Op grond van het theoretisch lef en het ambitieniveau, de
originaliteit, de helderheid van het betoog en de te verwachten impact, heeft de jury
uiteindelijk gekozen voor het proefschrift The space of case van Sander Lestrade.
Hedde Zeijlstra

 

 


Juryrapport 2010
Vandaag heeft u de presentaties kunnen beluisteren van de drie genomineerden voor de AVT/Anéla
dissertatieprijs 2010: Yonas Mesfun Asfaha (Universiteit van Tilburg): Literacy Acquisition in
Multilingual Eritrea; A comparative study of reading across languages and scripts; Lotte Hogeweg
(Radboud Universiteit): Word in Process. On the interpretation, acquisition, and production of
words, en Anna Kijak (Universiteit Utrecht): How stressful is L2 stress? A cross-linguistic study of L2
perception and production of metrical systems.
De jury voor de dissertatieprijs bestond dit jaar uit Martine Coene, Onno Crasborn, Bart Hollebrandse,
Nivja de Jong en werd voorgezeten door Bettelou Los. Jacqueline van Kampen was namens de AVT
ambtelijk secretaris, Catherine van Beuningen was schaduwsecretaris namens Anéla.
Van de 45 taalwetenschappelijke dissertaties die in 2009 zijn verdedigd aan een Nederlandse
universiteit, zijn er elf voorgedragen voor de dissertatieprijs. Dit is op zich een mooi aantal en de
kwaliteit van de ingezonden boeken was hoog. Bovendien waren alle gebieden van de taalkunde goed
vertegenwoordigd.
De leden van de commissie hebben in eerste instantie ieder vier of vijf van de tien dissertaties gelezen,
zodat elk voorgedragen proefschrift door minstens twee juryleden beoordeeld is. De commissie heeft
daarbij de criteria gehanteerd zoals ze in het reglement van de dissertatieprijs omschreven staan:
originaliteit van de onderzoeksvraag en van de aanpak; reikwijdte en diepgang van de
probleemstelling; kwaliteit van de methode van onderzoek; vakmanschap; verwachte impact van het
onderzoek; en helderheid van de verslaglegging. Bij het toepassen van deze criteria liep de jury tegen
een probleem aan dat er gebieden in de taalkunde zijn waar onderzoeksvraag en diepgang van de
probleemstelling al bij voorbaat vaststaan en niet op hun originaliteit kunnen worden beoordeeld – en
dat gebied is dat van de beschrijvende taalkunde waar onderzoekers een bijdrage leveren aan het
behoud van bedreigde talen door een taalkundige beschrijving van de fonologie, morfologie en
syntaxis van een taal. Het belang van een dergelijke codificatie voor de betreffende taalgemeenschap,
maar ook voor de taalkunde zelf, is evident: de bedreigde taal krijgt door deze aandacht een formele
status, een nieuwe waardering ook in de ogen van de eigen sprekers, en daardoor een grotere
overlevingskans, hetgeen de linguïstische diversiteit ten goede komt. Dit jaar behoorden twee van de
elf voorgedragen proefschriften tot deze traditie: A Grammar of Pichi van Kofi Yakpo (Radboud
Universiteit) en A grammar of Upcountry Sri Lanka Malay van Sebastian Nordhoff (Universiteit van
Amsterdam). Hoewel taalbeschrijvingen tot de kern van de taalkunde behoren, kunnen ze wat de
criteria van de dissertatieprijs betreft alleen hoog scoren op kwaliteit van de methode van onderzoek,
vakmanschap, en helderheid van de verslaglegging, en niet op de criteria kwaliteit van de
onderzoeksvraag en diepgang van de probleemstelling. Wat de criteria waarop gescoord kon worden
betreft waren deze beide proefschriften van een dermate kwaliteit dat de jury beiden, Kofi Yapko
en Sebastian Nordhoff , een eervolle vermelding in het rapport waard acht, en de aanbeveling aan de
beide besturen (AVT en Anéla) zou willen doen de criteria opnieuw onder de loep te nemen en
eventueel te herzien.
Op grond van de eerste beoordelingsronde is een shortlist van drie dissertaties tot stand gekomen. Die
drie genomineerde dissertaties zijn vervolgens door alle juryleden gelezen.
Ik zal hier in alfabetische volgorde een samenvatting van het jurycommentaar geven:
Geletterdheid wordt steeds belangrijker in de moderne samenleving. Het rijke proefschrift van Yonas
Mesfun Asfaha laat ziet dat dit zeker ook geldt voor niet-westerse landen als Eritrea. Dit land bevat
een grote diversiteit aan culturen en talen, maar ook aan schriftsystemen. Het alfabetische Latijnse
schrift en het consonantisch-alfabetische Arabische schrift worden gebruikt, en daarnaast het
syllabische Ge’ez schrift, voor negen verschillende talen. Het onderwijsbeleid in Eritrea staat kinderen
toe om de lagere school te volgen waar hun eigen moedertaal de voertaal is. Daarnaast wordt overal
het Engels als tweede taal onderwezen; na de lagere school wordt het Engels de voertaal. Deze
bijzondere meertalige situatie roept vragen op over het te voeren beleid: welk schriftsysteem is
optimaal in deze situatie, zowel wat betreft het leren schrijven van de eerste taal, als de voorbereiding
van de tweede taal? Asfaha’s onderzoek toont aan dat beginnende lezers en schrijvers het snelst het
syllabische Ge’ez schrift onder de knie krijgen; Ook het gebruik van de syllabe bij het aanleren van het
alfabetisch geschreven Saho blijkt voordelen te hebben. De aard van het schriftsysteem van de eerste
taal bleek geen rol te spelen bij het verwerven van het Engels als tweede taal; wat wel telde was de
mate van taal- en leesvaardigheid in de eerste taal. Tot slot laat een attitudeonderzoek onder ruim 600
volwassenen zien dat een meerderheid van de bevolking het eens is met het lagere schoolbeleid dat
taaldiversiteit ondersteunt, maar dat in daadwerkelijk schrijven en lezen het Latijns-alfabetische schrift
alleen in beperkte mate voor het Engels gebruikt wordt: het syllabische Ge’ez schrift is dominant, ook
bij de Kunama en Saho-sprekers die dit op de basisschool hebben geleerd. Dit is een erg leuk en
origineel proefschrift op een nog grotendeels onontgonnen terrein.
Het proefschrift van Lotte Hogeweg, Word in Process: On the interpretation, acquisition, and
production of words bestudeert het partikel wel in al haar aspecten. Het proefschrift is bijzonder helder
en onderhoudend geschreven. Hogeweg laat overtuigend zien dat ze in staat is om een moeilijk
onderwerp uit de semantiek op een relatief eenvoudige manier te presenteren die recht doet aan de
complexiteit van het onderwerp en toch de essentie daarbij niet uit het oog verliest. Ze stelt dat een
woord een betekenis krijgt op basis van een aantal semantische features, in een krachtenveld waarin de
hoorder zoveel mogelijk trouw wil zijn aan de prototypische, sterkste betekenis van het woord maar
aan de andere kant ook wil gaan voor een interpretatie die het meest past in de gegeven context. Deze
tweede kracht is sterker omdat een zwakkere betekenis die past in de context boven een prototypische
betekenis gaat die niet met de context spoort. Om dit optimalisatieproces weer te geven gebruikt ze de
Optimaliteitstheorie. Hogeweg bekijkt haar onderwerp vanuit een veelheid van perspectieven waarin
ze laat zien dat ze in veel verschillende domeinen van taalonderzoek thuis is en die weet te combineren
tot een coherent verhaal: corpusonderzoek, Discourse Representation Theory, OT, taalverwerving,
neurale netwerken, Harmonic Grammar, Codeswitching, Moeiteloos leidt ze de lezer in deze
domeinen rond, en weet precies hoeveel informatie ze moet geven om ze duidelijk te maken, zonder
dat de lezer haar hoofddoelen uit het oog verliest. Een uitstekende prestatie.
In haar proefschrift How stressful is L2 stress? bestudeert Anna Kijak in welke mate het
klemtoonsysteem van moedertaalsprekers het leren van het klemotoonsysteem van een tweede taal
beïnvloedt, en welke de invloed klemtooneigenschappen in de moedertaal hebben op
klemtoonverwerving in de vreemde taal. Perceptie- en productie-experimenten werden afgenomen bij
tweede-taalverwervers van het Pools die allen een moedertaal hadden die typologisch qua
klemtoongebruik verschilde. Sommige van deze talen hebben een voorspelbare klemtoon, anderen
hebben niet-voorspelbare klemtoon, terwijl er ook een taal bij zat die niet klemtoonuitdrukkend is (het
Chinees). Op basis van deze typologische verschillen verklaart Kijak de verschillen in resultaten in de
perceptie van klemtoon in de tweede taal: hoe minder klemtoon er in de spraakverwerking van de
moedertaal nodig is, hoe zwakker de klemtoonwaarneming in de tweede taal is. Het feit dat
moedertaalsprekers van het Russisch, om een voorbeeld te noemen, bijzonder goed zijn in
klemtoonperceptie, schrijft zij toe aan het feit dat klemtoon een belangrijke contrastieve functie heeft
in deze taal. In een taal als Frans daarentegen, die gekenmerkt wordt door een frasefinale klemtoon,
verklaart de afwezigheid van klemtoonrepresentatie op woordniveau de zwakke waarneming ervan in
de tweede taal. Er is echter geen direct verband tussen de perceptie en de productie van klemtoon in de
tweede taal: zo zijn Tsjechische leerders van het Pools als tweede taal heel goed in de perceptie van
Poolse klemtoon maar presteren zij zwak in de productie ervan, terwijl moedertaalsprekers van het
Engels juist heel zwak zijn in de perceptie van Poolse klemtoon, maar beter zijn in de productietaak.
Klemtoon lijkt een uitzondering te zijn in de relatie tussen tweede-taal productie en perceptie, omdat
een correcte perceptie geen voorwaarde lijkt te zijn voor een correcte productie. Dit uitzonderlijke
proefschrift leidt de lezer met vaste hand door de theorie achter de onderzoeksvragen en verantwoordt
bij elke bocht de keuzes die er in dit monnikenwerk gemaakt zijn.
Zoals elk jaar weer zag ook deze jury zich voor het probleem geplaatst uit drie zeer verschillende
proefschriften toch een enkele winnaar te kiezen. Als bij een ronde van Masterchef moest de jury het
eens worden over drie perfect klaargemaakte gerechten van zeer verschillende makelij. Wat zou het
worden: de eerlijke, ruige maaltijd van bleekselderij en rode linzen die Asfaha ons opdient, waar de
kok niet zomaar naar de supermarkt kon maar ook nog eens voor de opgave stond zelf de ingredienten
te verbouwen? En waar een hongerig, ongeduldig publiek wachtte om zijn resultaten direct te vertalen
naar een beleid om het onderwijs – de toekomst van een land – in moeilijke omstandigheden te
optimaliseren? Of wordt het de verfrissende creatie van kok Hogeweg, die ongebruikelijke smaken als
peer en pastinaak met elkaar combineert tot een grootse smaaksensatie waar zelfs het meest verwende
eetpubliek voor door de kniëen gaat? Of wordt het, ten slotte, de uitgebalanceerde, voedingsdeskundig
verantwoorde schijf van vijf van Kijak waar over alle aminozuren en mineralen is nagedacht?
Dames en heren, het is ons een eer u te kunnen mededelen dat AVT/ANELA dissertatieprijs dit jaar
gewonnen is door Anna Kijak, voor haar proefschrift How stressful is L2 stress?

 


 

Juryrapport 2009

U heeft zojuist de presentaties gehoord van de drie genomineerden voor de AVT-Anéla-dissertatieprijs 2009. U zult het hopelijk eens zijn met de jury dat het hier inderdaad om drie potentiële prijswinnaars gaat. Het gaat om:

U heeft zojuist de presentaties gehoord van de drie genomineerden voor de AVT-Anéla-dissertatieprijs 2009. U zult het hopelijk eens zijn met de jury dat het hier inderdaad om drie potentiële prijswinnaars gaat. Het gaat om:

  • Gerlof Bouma (Rijksuniversiteit Groningen)– Starting a sentence in Dutch: a corpus study of subject- and object-fronting
  • Joke de Lange (Universiteit Utrecht) – Article omission in headlines and child language: a  processing approach
  • Margot Rozendaal (Universiteit van Amsterdam)  – The acquisition of reference: a cross-linguistic study

De jury bestond dit jaar uit Maria Aloni, Ted Sanders, Leo Wetzels, Ton van der Wouden en Helen de Hoop, die optrad als voorzitter. Mienke Droop vervulde namens de Anéla de functie van ambtelijk secretaris, Jacqueline van Kampen was namens de AVT schaduwsecretaris. Namens de jury wil ik de secretarissen hartelijk danken voor de ondersteuning van haar werkzaamheden.

Er zijn dit jaar tien dissertaties voorgedragen. Alle proefschriften zijn in eerste instantie elk door minstens twee leden van de jury beoordeeld op de inmiddels traditionele criteria van de AVT/ANéLA dissertatieprijs: originaliteit, probleemstelling en motivatie daarvan, wetenschappelijke benadering en methodologie, vakmanschap en meesterschap, te verwachten impact, en helderheid van verslaglegging. In een eerste vergadering op 26 juni heeft de jury drie dissertaties genomineerd voor de dissertatieprijs 2009. Deze drie dissertaties werden daarna door alle juryleden gelezen en op 23 oktober besproken en beoordeeld.

We zullen u nog even in spanning houden over wie van de drie straks met de prijs naar huis gaat om nu eerst de drie proefschriften kort te bespreken, in alfabetische volgorde, op naam van de auteur.

Het boek van Gerlof Bouma gaat over het klassieke probleem van vooropplaatsing in het Nederlands: welke zinsdelen en elementen kunnen in de hoofdzin vóór de persoonsvorm staan, en waarom? De dissertatie combineert innovatief corpuswerk (zo’n 60.000 zinnen uit het Corpus Gesproken Nederlands worden benaderd via eigen programmatuur), vaardig gehanteerde bidirectionele optimaliteitstheorie en geavanceerde statistiek (logistische regressie) om een bijzonder gedetailleerd beeld te verkrijgen van vooropplaatsing in gesproken Nederlands. De auteur laat overtuigend zien dat een puur grammaticale benadering van vooropplaatsing (in termen van factoren als grammaticale functie en bepaaldheid) wel te kort móet schieten, en dat pragmatische factoren (vanuit het perspectief van zowel de spreker als de hoorder) ook een belangrijke rol spelen. Een van de meest verrassende uitkomsten van het proefschrift is dat pronominale objecten vrijwel niet voorkomen in zinsinitiële positie (minder dan 1%), in groot contrast met demonstratieve objecten (64%). Dus een zin als “Hem ken ik niet” komt eigenlijk nooit voor in het corpus, maar een zin als “Dat weet ik niet” juist heel vaak. Dat het subject in die laatste zin een voornaamwoord is, dat is geen toeval. Wanneer een zin begint met een aanwijzend voornaamwoord als object, dan is het subject van die zin vrijwel altijd een voornaamwoord. Bouma verklaart dit fenomeen in termen van een conflict tussen twee tendensen, de tendens om een zin te beginnen met al gegeven of bekende informatie en de tendens om de zin te beginnen met belangrijke informatie. Het is duidelijk dat de tweede factor het in het Nederlands wint van de eerste.

In het Nederlands worden lidwoorden vaker weggelaten dan in het Italiaans, laat Joke de Lange zien in haar buitengewoon originele proefschrift, dat leest als een spannende detective. Het Italiaanse lidwoordensysteem is uitgebreider en gecompliceerder dan het Nederlandse, dus je zou verwachten dat de lidwoorden in het Italiaans eerder weggelaten worden dan in het Nederlands. Maar het blijkt precies andersom te zijn, en nog wel in verschillende contexten: zowel in Nederlandse kindertaal als in Nederlandse krantenkoppen worden de lidwoorden vaker weggelaten dan in hun Italiaanse tegenhangers. De Lange presenteert dit mysterie op boeiende wijze en laat de lezer een aantal hoofdstukken lang in spanning voor ze met de oplossing komt. Net als het thema van dit proefschrift is ook de oplossing origineel. De Lange betoogt dat selectie van een lidwoord in productie het resultaat is van een competitie tussen de verschillende kandidaat-lidwoorden in een taal. Hoe meer de strijdende lidwoorden aan elkaar gewaagd zijn, hoe sterker de competitie is, en hoe groter de onzekerheid over de uitkomst van de strijd, het selectieproces. In het Nederlands zijn er weliswaar minder lidwoorden, maar de strijd tussen de beschikbare lidwoorden in het selectieproces is heftiger. Dat verklaart waarom de selectie van een lidwoord in het Nederlands meer moeite en inspanning kost dan de selectie van een lidwoord in het Italiaans. En dat, zo stelt De Lange, verklaart dan weer waarom de Nederlandse kindertjes en krantenkoppenschrijvers die lidwoorden eerder zullen weglaten dan de Italiaanse.

Na deze twee proefschriften waarin competitie een grote rol speelt, zijn we toegekomen aan de bespreking van het derde proefschrift in onze eigen competitie, dat van Margot Rozendaal. Zij bestudeert de interactie tussen de morfosyntaxis en de pragmatiek in de verwerving van referentie naar personen en objecten in de derde persoon door Nederlandse, Franse en Engelse kleine kinderen. Het meest opvallende kenmerk van het boek is de rigoureuze methodiek waarmee de complexiteit van het onderwerp wordt opgedeeld in deelcomponenten, die ieder afzonderlijk bij het verwervingsproces een sturende rol spelen. Allereerst wordt, voor elk van de drie genoemde talen, de interactie geanalyseerd tussen de morfosyntaxis en de pragmatiek in de taal van volwassenen, met nadruk op de verschillen en de daaruit volgende mogelijke consequenties voor het verschil in de verwerving van referentiële elementen in het Nederlands, het Frans en het Engels. Ook wordt ingegaan op de cognitieve status van de morfosyntactische vormen waarover de talen beschikken voor referentie en de koppeling tussen de beschikbare referentiële morfemen en de pragmatische factoren die de cognitieve status van de referenten bepalen. Vervolgens wordt het huidige onderzoek afgezet tegen vergelijkbaar onderzoek in het verleden en worden de duidelijke en onduidelijke aspecten van referentieverwerving geïnventariseerd, met als resultaat een motivering van de onderzochte leeftijdscategorie en een scherpe definitie van de relevante onderzoeksvragen, die vervolgens een voor een aan de orde komen: in hoeverre houden kinderen tussen 2 jaar en 3 jaar en 3 maanden rekening met de pragmatische factoren specificiteit, nieuw/gegeven en bekendheid bij de luisteraar en, daarmee samenhangend, gaat de verwerving van de morfosyntactische vorm hand in hand met de verwerving van de (juiste) pragmatische toepassing van die vorm?; in hoeverre komen de eerder geobserveerde taalspecifieke patronen terug in de vroege kindertaal?; wordt het verwervingspatroon beïnvloed door de frequentie en de consistentie van de vorm-functiecombinatie in het taalaanbod? Op elk relevant moment wordt aan de lezer duidelijk gemaakt hoe de gevonden resultaten per bestudeerde taal verschillen en waarom we dat wel of niet hadden kunnen verwachten, en of de gevonden resultaten overeenkomen met de conclusies van eerder onderzoek of juist niet, en waarom.

De jury was onder de indruk van alledrie de proefschriften, maar er kan maar één prijswinnaar zijn. Vanwege de hoge kwaliteit, het voorbeeldig interdisciplinaire karakter en de convergerende evidentie gaat de AVT-Anéladissertatieprijs 2009 naar Margot Rozendaal. Gefeliciteerd!

 


 

Juryrapport AVT/Anéla Dissertatieprijs 2008

 

Vanmiddag heeft u de presentaties mogen horen van de vier genomineerden voor de AVT/Anéla Dissertatieprijs 2008. Het gaat hier om:

 

  • Holger Hopp – Ultimate Attainment at the Interfaces in Second Language Acquisition: Grammar and Processing (Universiteit Groningen)
  • Brigitte Pakendorf –  Contact in the Prehistory of the Sakha (Yakuts). Linguistic and genetic perspectives. (Universiteit Leiden)
  • Katrin Schulz – Minimal Models in Semantics and Pragmatics. Free choice, exhaustivity and conditionals. (Universiteit van Amsterdam)
  • Natalia Slioussar – Grammar and Information Structure. A study with reference to Russian. (Universiteit Utrecht)

 

 

De jury bestond dit jaar uit:

  • Harry Bunt
  • Hans den Besten
  • Marianne Gullberg
  • Maarten Kossmann
  • Maaike SchoorlemmerAmbtelijk secretaris namens de AVT was Elma Blom, vanwege buitenlands verblijf bij de tweede vergadering opgevolgd door Jacqueline van Kampen. Schaduwsecretaris namens de Anéla was Mienke Droop. De vergaderingen werden voorgezeten door Hans den Besten.

    Er zijn dit jaar 17 dissertaties voorgedragen, wat ongeveer gelijk is aan het aantal van twee jaar geleden (toen 16), maar beduidend meer dan het aantal van 10 à 12 dat de afgelopen jaren zo gebruikelijk was.

    De dissertaties zijn overeenkomstig de respectieve expertises zo eerlijk mogelijk onder de leden van de jury verdeeld, waarbij elke dissertatie twee juryleden toegewezen kreeg. Op 3 juli j.l. werden de leeservaringen besproken te Utrecht. Hier werd besloten tot de bovengenoemde shortlist van vier. Alle voorgedragenen en degenen die hen voorgedragen hadden, zijn van dit besluit in kennis gesteld.

    Wij zullen nu eerst de vier dissertaties kort karakteriseren.

 

(a) Holger Hopp Ultimate Attainment at the Interfaces in Second Language Acquisition: Grammar and Processing

De dissertatie van Holger Hopp onderzoekt de belangrijke vraag of er leeftijdsgebonden beperkingen zijn op, c.q. of er een kritische periode bestaat voor, de ontwikkeling van grammaticale kennis in het verwerven van een tweede taal (L2) door volwassenen of dat L2-sprekers in plaats daarvan beperkt zijn in het online gebruik van zulke kennis. De auteur – die zich richt op de begripsproblematiek van scrambling-constructies – laat in elegante offline- en online-experimenten zien dat Nederlandse en Russische near-native sprekers van het Duits niet verschillen van autochtone sprekers in grammaticale kennis, maar wel in het online-gebruik hiervan. De interactie van beperkingen op verwerking met moedertaaleffecten leveren bewijs op tegen de kritische-periode-hypothese. De reikwijdte, het academische niveau en de intrigerende resultaten van deze studie maken het tot een belangrijke bijdrage aan ons begrip van L2-acquisitie door volwassenen.

 

(b) Brigitte Pakendorf Contact in the Prehistory of the Sakha (Yakuts). Linguistic and genetic perspectives.

In het proefschrift van Brigitte Pakendorf wordt aan de hand van taalkundige en genetische gegevens de geschiedenis gereconstrueerd van de Noord-Siberische Sakha, die ver verwijderd van sprekers van andere Turkse talen wonen. De auteur maakt daarbij gebruik van een waaier aan methodes, gerelateerd aan verschillende subdisciplines van de taalkunde. Op basis van haar veldwerk biedt ze een synchrone beschrijving van de belangrijkste verschijnselen in het Sakha. Daarop past zij een analyse toe die gebruik maakt van zowel de klassieke vergelijkende methode als de taaltypologie – dit alles ingekaderd in de contactlinguïstiek. Dit geheel wordt gecompleteerd door een analyse vanuit de humane genetica. Ondanks deze veelheid aan methodes en disciplines loopt er een klare lijn van de eerste tot de laatste pagina van het boek, leidend tot een uiteindelijke reconstructie van de geschiedenis van de Sakha. Een belangrijke punt in deze reconstructie is de vaststelling dat de structurele invloed van het Ewenk geen substraatinvloed kan zijn, omdat het DNA-profiel van de Sakha zich daartegen verzet.

(c) Katrin Schulz Minimal Models in Semantics and Pragmatics. Free choice, exhaustivity and conditionals.

In het proefschrift van Katrin Schulz wordt een aantal beruchte onopgeloste problemen uit de semantiek en pragmatiek geanalyseerd en worden elegante, nieuwe oplossingen voorgesteld. Die problemen variëren van de keuzeparadox die zinnen met disjuncties bij modale werkwoorden opleveren (bijv. “Je mag een appel nemen” impliceert “je mag een appel of een peer nemen” impliceert “Je mag een peer nemen”), tot een compositionele interpretatie van het Engelse systeem van werkwoordstijden in conditionele zinnen. Een bijzonder elegant onderdeel van het proefschrift bestaat uit de toepassing van zogenaamde “minimale modellen”, bekend uit systemen van epistemische logica die in de kunstmatige intelligentie ontwikkeld zijn, om delen van het griceaanse coöperativiteitsprincipe te formaliseren. Dit is een belangwekkende nieuwe benadering om problemen in de pragmatiek op te lossen.

(d) Natalia Slioussar Grammar and Information Structure. A study with reference to Russian.

In de dissertatie van Natalia Slioussar wordt een nieuwe aanpak van topic- en focusverplaatsingen in het Russisch voorgesteld, conceptueel verantwoord en als het ware vanaf de grond opgebouwd op basis van de noties toegankelijkheid (‘accessibility’) en opvallendheid (‘saliency’). Hierbij heeft een bepaalde woordvolgorde die afwijkt van de meest neutrale altijd een effect op de informatiestructuur van de zin en daarmee op de intonatie, en is als gevolg daarvan al dan niet de juiste in een bepaalde context. Met deze aanpak, hoewel schijnbaar naadloos voortvloeiend uit de Russische grammaticale traditie, heeft de auteur een manier gevonden om relationele noties een vorm te geven binnen een fasetheoretische aanpak van de generatieve syntaxis. De voorgestelde theoretische aanpak heeft een groot empirisch bereik, wat de auteur niet alleen laat zien op basis van taalkundige intuïtie en literatuur, maar ook op basis van een psycholinguïstisch experiment.

Aldus zeer in het kort de vier genomineerde dissertaties. De leden van de jury moesten ieder voor zich een rangorde in deze set aanbrengen aan de hand van zes criteria: reikwijdte, kwaliteit, originaliteit, vakmanschap, de te verwachten impact en helderheid van verslaglegging. Toen de jury op 14 oktober j.l. weer bijeen kwam, bleek al in de eerste ronde dat de geroosterde drie klokuren overbodig waren. Want ook al doen de vier dissertaties in kwaliteit, vakmanschap en helderheid van verslaglegging misschien niet voor elkaar onder –welke dissertatie springt er uit door gedurfdheid van aanpak, het moeiteloos verbinden van vakgebieden binnen en buiten de linguïstiek, met een duidelijke impact binnen en buiten de taalwetenschap?

De AVT/Anéla-dissertatieprijs 2008 gaat naar Brigitte Pakendorf.

 


 

Juryrapport AVT/Anéla Dissertatieprijs 2007

Vanmiddag heeft u korte presentaties gehoord van de genomineerden voor de AVT/Anéla dissertatieprijs 2007:

  • Tamás Bíró (Universiteit Groningen), Finding the Right Words: Implementing Optimality Theory with Simulated Annealing
  • Annerieke Boland (Universiteit van Amsterdam), Aspect, tense and modality: Theory, typology, acquisition
  • Christian Rapold (Universiteit Leiden), A Grammar of Benchnon.

De jury bestond dit jaar uit Kees de Bot, Helen de Hoop, Frans Hinskens, Fred Weerman en Arie Verhagen, die optrad als voorzitter. Jan ten Thije vervulde namens de Anéla de functie van ambtelijk secretaris, Elma Blom was namens de AVT schaduwsecretaris. Namens de jury wil ik de secretarissen hartelijk danken voor de ondersteuning van haar werkzaamheden.

Er zijn dit jaar elf dissertaties voorgedragen. Alle proefschriften zijn in eerste instantie elk door minstens twee leden van de jury beoordeeld op de inmiddels traditionele criteria van de AVT/ANéLA dissertatieprijs: originaliteit, probleemstelling en motivatie daarvan, wetenschappelijke benadering en methodologie, vakmanschap en meesterschap, te verwachten impact, en helderheid van verslaglegging. Op 7 september slaagde de jury er in tot een shortlist van drie te komen. Deze dissertaties werden daarna door alle juryleden gelezen en op 19 oktober besproken en beoordeeld.

Wij zullen deze proefschriften in alfabetische volgorde kort bespreken.

In de wetenschap heb je ‘kleine ideeën’ en ‘grote ideeën’. Kleine ideeën zijn talrijker dan grote en soms helpen ze de wetenschap zelfs meer vooruit dan grote ideeën. Grote ideeën spreken echter meer tot de verbeelding. Het proefschrift van Tamás Bíró begon met een ideetje, zoals de auteur uiteenzet in zijn voorwoord, om een natuurkundig optimalisatiealgoritme te combineren met de taalkundige optimaliteitstheorie. Het kleine idee bleek in werkelijkheid een groot idee te zijn. Dit grote idee leidt tot een nieuw inzicht in het verschil tussen competence en performance, een van oudsher hardnekkige taalkundige puzzel. Dit inzicht houdt in dat het verschil de weerspiegeling is van het verschil tussen het vinden van louter globale optima (competence) tegenover het vinden van lokale optima (performance). Bíró’s grote idee leidt tot een aantal kleine, maar zeer interessante ideeën. Ten eerste beargumenteert hij overtuigend dat je alleen maar kunt spreken van ‘lokale optima’ als je structuur aanbrengt in de kandidatenset van mogelijke outputs. Ten tweede laat hij zien dat de kandidatenset niet alleen theoretisch oneindig is, maar dat ook voor het slagen van de implementatie moet zijn. Tenslotte is er een belangrijk verschil tussen Bíró’s model en Harmonic Grammar: waar lokale optima voor dat model problematisch zijn, zijn ze voor Bíró juist zeer gewenst. Hoewel Bíró zich vooralsnog in de toepassing van zijn model beperkt tot het domein van de fonologie, kan men vermoeden dat dit buitengewoon spannende proefschrift een bron van inspiratie zal zijn voor taalwetenschappers van diverse pluimage.

Het proefschrift van Annerieke Boland vertegenwoordigt een belangrijke nieuwe tendens in taalkundig onderzoek: het combineren van uiteenlopende invalshoeken om een dieper inzicht te krijgen in een bepaald domein. Op basis van het idee dat operatoren op niveau van predikaat, predicatie en propositie hiërarchisch geordend zijn, onderzoekt Boland mogelijke paden van verandering, hun relatieve frequenties in taalgebruik, de relatieve mate van synchrone grammaticalisatie, en de volgorde van verwerving. Deel I omvat een uitstekende, kritische, en omvattende greep op een grote hoeveelheid literatuur. Boland integreert deze op bijzonder knappe wijze ten behoeve van haar eigen vraagstelling. In Deel II volgt de uitwerking en toetsing van de hypotheses, zowel aan de hand van de literatuur, als aan de hand van de resultaten van eigen empirisch onderzoek. En passant worden nieuwe verschijnselen aan het licht gebracht, zoals de precieze functie van relatieve tijd, en verklaart Boland de gebruiksfrequentie van operatoren, alsmede de oververtegenwoordiging van telische predikaten in kindertaal. Telkens weer slaagt de auteur erin, ook als zij de lezer flink de diepte in heeft laten gaan, om die lezer weer met vaste hand terug te leiden naar de hoofdvraag van het onderzoek. Die hoofdvraag (zijn de beperkingen op variatie tussen talen dezelfde als die tussen verschillende stadia in taalverwerving?) is heel algemeen en dus moeilijk te onderzoeken, maar de breedheid van het onderzoek en de greep van de auteur op de onderdelen ervan garanderen dat het antwoord erop –een genuanceerd maar volmondig ja– zeer overtuigt.

De dissertatie van Christian Rapold bevat de eerste brede grammaticale beschrijving van het Benchnon, een – voorheen nog goeddeels ongedocumenteerde – Omotische taal uit Zuid-West Ethiopië. De grammatica is gebaseerd op eigen veldwerk, en voldoet aan het belangrijke principe van ‘accountability’ van Labov, hetgeen in de presentatie van resultaten uit veldwerk van exotische talen nog lang niet vanzelfsprekend is. Uit de diepte van de analyses valt op te maken dat de auteur haast een (near-) native speaker van de taal moet zijn. Zonder af te doen aan de leesbaarheid en toegankelijkheid, zijn Rapolds analyses zeer gedegen en gedetailleerd, met veel oog voor theoretisch interessante aspecten. Het bestaan van 5 registertonen en 1 contourtoon in het Benchnon is een uniek gegeven en uitermate relevant voor theorieën over tonogenese. De beschrijvingen van het complexe systeem van werkwoordsvervoegingen en -flexie, de switch-reference van persoonlijke voornaamwoorden en eigenschappen van lange-afstands-reflexieven zijn buitengewoon interessant voor (morfo)syntactici, terwijl de ‘factual stems’ en de passief in het Benchnon voer zijn voor typologen. Historisch taalkundigen en grammaticalisatiedeskundigen kunnen zich onder meer buigen over mogelijk gefossiliseerde suffixen. De toevoeging van een basis-vocabulair is waardevol; de lezer kan die direct gebruiken om bepaalde claims van de auteur te toetsen voor bijvoorbeeld segment-inventaris, fonotaxis, tonologie of werkwoordsmorfologie. Ten slotte bevat Rapolds dissertatie een bondige schets van de sociolinguïstische situatie van het Benchnon, overtuigend gebracht, met een serie statistieken over de dialecten, meertaligheid, etnische groepen, godsdienst, politieke regio’s, en demografie. Kortom: een compleet, rijk en bijzonder erudiet boek.

Na een lange discussie heeft de jury besloten de dissertatieprijs 2007 toe te kennen aan Tamás Bíró. Applaus voor alle genomineerden!

 


 

Juryrapport AVT/Anéla Dissertatieprijs 2006

Vanmiddag heeft u de presentaties kunnen beluisteren van de vier genomineerden voor de AVT/Anéla dissertatieprijs 2006:

  • Oele Koornwinder (Universiteit Utrecht): Morfologische aspecten van het ideale woordenboek
  • Marjo van Koppen (Universiteit Leiden): One probe – two goals: Aspects of agreement in Dutch dialects
  • Sharon Unsworth (Universiteit Utrecht): Child L2, Adult L2, Child L1: Differences and similarities
  • Sonja van Boxtel (Radboud Universiteit Nijmegen): Can the late bird catch the worm? Ultimate attainment in L2 syntax

De jury voor de dissertatieprijs bestond dit jaar uit Huub van den Bergh, Martin Everaert, Ben Hermans en Jan Hulstijn, en werd voorgezeten door Gisela Redeker. Bettelou Los trad namens de AVT op als ambtelijk secretaris, Jan ten Thije namens de Anéla als schaduw¬secretaris. Namens de jury wil ik de secretarissen hartelijk danken voor de uitstekende ondersteuning en facilitering van haar werkzaamheden.
In voorgaande jaren werden voor deze prijs meestal 10 à 12 dissertaties voorgedragen. De juryrapporten bevatten dan ook steevast frasen als “de jury spreekt de hoop uit dat er volgend jaar met minder terughoudendheid zal worden voorgedragen”. Deze hoop is dit jaar in vervulling gegaan: er werden maar liefst 16 dissertaties uit 2005 voorgedragen, waarbij, eveneens anders dan in voorgaande jaren, ook de toegepaste taalkunde stevig was vertegenwoordigd.

Deze zestien proefschriften zijn in eerste instantie elk door minstens twee leden van de jury gelezen en beoordeeld op de criteria die in de traditie van de uitreiking van de AVT/ANéLA dissertatieprijs ontstaan zijn: originaliteit, probleemstelling en motivatie daarvan, wetenschappelijke benadering en methodologie, vakmanschap en meesterschap, te verwachten impact, en helderheid van verslaglegging. Per jurylid betekende dit het lezen van zo’n 2000 proefschriftpagina’s. Acht dissertaties sprongen er meteen uit, en de jury betreurde het dat zij zich voor de shortlist tot drie of hoogstens vier proefschriften diende te beperken. Op 1 september slaagde de jury er na lang beraad in tot een shortlist van vier te komen. Deze vier dissertaties werden daarna door alle juryleden gelezen en op de vergadering van 13 oktober besproken en beoordeeld. Vanmiddag heeft U de vier genomineerden zelf aan het woord gehoord. Wij zullen hun proefschriften bespreken in alfabetische volgorde.

1. Het proefschrift van Sonja van Boxtel, Can the late bird catch the Worm? Ultimate attainment in L2 syntax buigt zich over de vraag of er late tweedetaalleerders zijn die in de beheersing van de syntaxis van hun tweede taal een niveau bereiken dat binnen de variatie¬breedte van moedertaalsprekers valt, hetgeen ontkend wordt door aanhangers van de zgn. Critical Period Hypothesis. Van Boxtel toont aan dat er wel degelijk ‘witte raven’ te vinden zijn onder Duitse, Franse en zelfs Turkse late leerders van het Nederlands. De gemiddelde scores liggen uiteraard onder die van de moedertaalsprekers, maar het gaat om de individuele leerders. Dit proefschrift laat een uitermate mooie relatie zien tussen onderzoeks¬vraag, methode en analyse. Deze studie is elegant door zijn eenvoud en recht op het doel af.

2. Het proefschrift van Oele Koornwinder, Morfologische aspecten van het ideale woorden¬boek: Een theoretische en empirische studie naar de lexicale samenhang van het Nederlands ten behoeve van een morfologische kennisbank, heeft een bijna adembenemend ambitieuze doelstelling. Er wordt een op paradigmatische distributiepatronen gebaseerde theorie van lexicale kennisrepresentatie ontwikkeld, die computationeel getoetst wordt door middel van de zeer omvangrijke Morfologische Gegevensbank van het Nederlands (MGBN). Hiervoor heeft de auteur alle woorden uit de Grote Van Dale op semi-automatische inductieve weg van een morfologische structuur voorzien. Koornwinder evalueert de MGBN onder meer door een vergelijking met het Morfologisch Handboek. De MGBN zou van groot nut kunnen zijn voor morfologisch onderzoek en taaltechnologische toepassingen. Het proef¬schrift is zeer helder geschreven en biedt een rijk overzicht van de theoretische literatuur, van de Nederlandse morfologie, van zoekmachines, en nog veel meer.

3. Het proefschrift van Marjo van Koppen, getiteld One probe – two goals: Aspects of agreement in Dutch dialects, richt zich op het verschijnsel van de voegwoordvervoeging, dat in een aantal Nederlandse dialecten voorkomt. Hierbij congrueert het onderwerp van de zin niet alleen met het finiete werkwoord van die zin, maar ook met het voegwoord dat een ingebedde zin inleidt. Van Koppen geeft een zorgvuldige en heldere beschrijving van dit fenomeen en laat zien dat microvariatie wat betreft deze constructies teruggevoerd kan worden op lexicale en morfologische verschillen. Het proefschrift van Van Koppen bevat een interessante theoretische hypothese. Het is buitengewoon knap hoe ze centrale vragen in de recente theorievorming over congruentierelaties weet te relateren aan de resultaten van ‘ouderwets’ veldwerk.

4. Het proefschrift van Sharon Unsworth, Child L2, Adult L2, Child L1: Differences and Similarities, heeft betrekking op een actuele, cruciale kwestie in ons begrip van eerste- en tweede-taalverwerving, namelijk of vroege en late tweedetaalleerders (‘child L2’ en ‘adult L2’) over dezelfde ‘constraints’ beschikken als eerste-taalverwervers (‘child L1’). Unsworth onderzoekt deze vraag door bij alledrie de groepen productie en receptie te toetsen met betrekking tot een verschijnsel dat niet met expliciete regels geleerd kan worden, nl. scrambling van het lijdend voorwerp in het Nederlands. Deze opzet maakt haar onderzoek uniek, maar ook zeer complex. Opvallend is de wetenschappelijke en methodologische eerlijkheid waarmee Unsworth analyses en overwegingen rapporteert die niet overeenkomen met haar eigen data, analyses en interpretaties.

Van deze vier voortreffelijke proefschriften is er naar de mening van de jury één die wat betreft originaliteit, gedegenheid, theoretische diepgang, en bijdrage aan de wetenschap een haardikte boven de andere drie uitsteekt. De jury heeft daarom besloten de dissertatieprijs 2006 toe te kennen aan de dissertatie Can the late bird catch the worm? Ultimate attainment in L2 syntax van Sonja van Boxtel.

 


 

Juryrapport 2005

Voor 2005 waren genomineerd:

  • Bert Botma: Phonological aspects of Nasality: An element-based dependency approach
  • Daniëlle van den Brink: Contextual Influences on Spoken-Word Processing
  • Jeroen van Craenenbroeck: Ellipsis in Dutch dialects

De jury voor de dissertatieprijs bestond dit jaar uit Ad Backus, Theo Bongaerts, Sieb Nooteboom, Niels Schiller, Jan-Wouter Zwart en werd voorgezeten door Sieb Nooteboom. Ineke Vedder was namens ANELA ambtelijk secretaris, Bettelou Los (AVT), was schaduwsecretaris.

Van de taalwetenschappelijke dissertaties die in 2004 zijn verdedigd aan een Nederlandse universiteit, zijn er tien voorgedragen voor de dissertatieprijs. Dit is op zich een mooi aantal en de kwaliteit van de ingezonden boeken was in het algemeen hoog. Niettemin spreken de jury en de organiserende instanties de hoop uit dat er volgend jaar met minder terughoudendheid zal worden voorgedragen, en dan vooral ook op het gebied van de toegepaste taalkunde. Op dat gebied hadden we deze keer geen enkele voordracht.

De leden van de commissie hebben in eerste instantie ieder vier van de tien dissertaties gelezen, zodat elk voorgedragen proefschrift door twee juryleden beoordeeld is. De commissie heeft daarbij zes, deels overlappende en elkaar aanvullende, criteria gehanteerd bij de beoordeling: originaliteit van de onderzoeksvraag en van de aanpak; reikwijdte en diepgang van de probleemstelling; kwaliteit van de methode van onderzoek; vakmanschap; verwachte impact van het onderzoek; en helder¬heid van de verslaglegging.

Op grond van de eerste beoordelingsronde is een shortlist van drie dissertaties tot stand gekomen. Hoewel er ook bij de overige zeven dissertaties heel goede zaten die bij minder concurrentie zeker voor een nominatie in aanmerking zouden zijn gekomen, was er grote overeenstemming binnen de jury over welke drie dissertaties het verdienden om genomineerd te worden. Die drie genomineerde dissertaties zijn vervolgens door alle juryleden gelezen. Vanmiddag hebt U de drie genomineerden zelf aan het woord gehoord.

De jury was bijzonder onder de indruk van de uitzonderlijk hoge kwaliteit van deze drie proefschriften. Op alle door de jury gehanteerde criteria scoren ze hoog en de auteurs plaatsen hun onderzoek op voortreffelijke wijze in de tradities van het eigen onderzoeksveld. Te verwachten is dat elk van deze studies in de toekomst veel besproken zal worden en deel zal gaan uitmaken van de standaardliteratuur op het vakgebied in kwestie. Kortom, in alle drie de gevallen hebben we hier van doen met een intellectuele prestatie van formaat. De jury is dan ook van mening dat ieder van deze drie proefschriften de prijs ten volle zou verdienen. De keuze van de winnaar werd nog eens extra moeilijk doordat we te maken hadden met drie studies die voortkomen uit zeer verschillende onderzoekstradities en onderzoeksculturen. Daardoor zijn ze niet makkelijk te vergelijken. Niettemin, er moest toch een winnaar worden aangewezen.

Om de drie kandidaten niet te lang in spanning te laten zal ik nu eerst de winnaar van de dissertatieprijs 2005 bekend maken. Daarna zal dit juryrapport een paar woorden wijden aan ieder van de drie genomineerde proefschriften. Van deze drie voortreffelijke proefschriften is er naar de mening van de jury één die wat betreft originaliteit, theoretische diepgang, en reikwijdte, boven de andere twee uitsteekt. De jury heeft daarom besloten de dissertatieprijs 2005 toe te kennen aan de dissertatie ‘‘Phonological Aspects of Nasality: an Element-Based Dependency Approach’’ van Bert Botma. Ik voeg daar nogmaals aan toe dat de andere twee gewoon pech hebben gehad dat zij dit jaar en niet een ander jaar hun dissertatie hebben verdedigd. De statistische clustering van ongemeen goede proefschriften in 2004 is domme pech.

In alfabetische volgorde, volgt nu een korte samenvatting van het jurycommentaar op elk van de drie proefschriften.

In ‘Phonological Aspects of Nasality’ van Bert Botma wordt een nieuwe fonologische theorie gepresenteerd. Deze vormt een synthese van twee bestaande theorieën, de ‘Dependency Phonology’en de ‘Element’ theorie. De jury was zeer onder de indruk van de wijze waarop Botma optimaal recht doet aan het streven in de wetenschap om een theorie zodanig in te perken dat deze alleen verantwoording geeft van wat in de werkelijkheid voorkomt of zou kunnen voorkomen, maar niet van wat niet in de werkelijkheid zou kunnen voorkomen. Daardoor wordt overgeneralisatie voorkomen, en winnen de voorspellingen die de theorie doet aan kracht. Veel taalwetenschappelijke theorievorming zou hier een voorbeeld aan kunnen nemen. Het voorgestelde theoretische model wordt door Botma toegepast op de verantwoording van fonologische observaties met betrekking tot nasalen en nasaliteit, en relaties daarvan met vormen van stemgeving, maar het model is in principe toepasbaar op het hele scala van fonologische segmenten. De synchrone en diachrone fonologische observaties waarvan hier verantwoording wordt afgelegd zijn afkomstig uit ongeveer 500 verschillende talen.

Het proefschrift van Daniëlle van den Brink, “Contextual Influences on Spoken-Word Processing” maakt door een serie slimme, goed uitgevoerde, en goed beschreven experimenten een eind aan een discussie die al tientallen jaren gevoerd wordt onder diegenen die onderzoek doen naar het verloop in de tijd van het proces van herkenning van woorden uit spraak in de menselijke geest, c.q. het menselijk brein. Om de verwerking van de linguïstische informatie uit de zinscontext in kaart te brengen maakt ze gebruik van registratie van Event-Related Potentials, een methode om het verloop in de tijd van hersenactiviteit te meten. De auteur laat zien dat ze deze techniek perfect beheerst. De presentatie van statistische data is uiterst zorgvuldig en overzichtelijk. Het onderzoek, dat in teamverband is uitgevoerd, is voortreffelijk onder andere waar het gaat om de methode van onderzoek, de analyse van de experimentele data, en de presentatie. Inmiddels zijn twee van de hoofdstukken van dit proefschrift gepubliceerd in de Journal of Cognitive Neuroscience. De verwachting is dan ook gewettigd dat de impact van dit onderzoek op verder onderzoek naar woordherkenningsprocessen groot zal zijn.

Het proefschrift van Jeroen van Craenenbroeck, ‘‘Ellipsis in Dutch dialects’’ bevat een goed beargumenteerde empirisch-syntactische beschrijving van elliptische constructies. Ellipsis is dat wat in een zin is weggelaten, dus er niet is. De kernvraag die Van Craenenbroeck aan de orde stelt is of ellipsis een structuurloos element is, of zelf syntactisch structuur heeft. Aan de hand van een gedetailleerde analyse van ellipsis in Nederlandse dialecten, en een vergelijking daarvan met soortgelijke verschijnselen in het Engels, toont Van Craenenbroeck op zeer overtuigende wijze aan dat beide opvattingen over de structuur van ellipsis – het idee dat de structuur wel aanwezig is maar alleen niet wordt uitgesproken en het idee dat ellipsis een structuurloos leeg element is- beide tegelijk binnen dezelfde taal of hetzelfde dialect aanwezig kunnen zijn. Van de geobserveerde taalfeiten geeft Van Craenenbroeck een belangwekkende en originele syntactisch-theoretische verantwoording. Door toepassing van een aantal syntactische toetsen legt de auteur een groot aantal eigenschappen van elliptische constructies bloot. De manier waarop comparatief-dialectologisch en theoretisch onderzoek in het proefschrift worden gecombineerd dwingt dan ook bewondering af.

 

Tot zover het commentaar van de jury van de Anéla/AVT dissertatie prijs 2005 op drie belangrijke proefschriften van buitengewoon hoge kwaliteit. Dames en heren, uw applaus graag voor alle drie de genomineerden.

 


 

Juryrapport 2004

De dissertatieprijs 2004 werd uitgereikt aan: Elma Blom.

Samenstelling jury: dr. H. Broekhuis,
dr. A.C.M. Goeman, prof. dr. C.H.M. Gussenhoven, Dr. J. Hoeksema (voorzitter), Dr. M. Trommelen; Secretaris: dr. J.M. van de Weijer (AVT), Schaduwsecretaris: Dr. I. Vedder (Anéla)

Dit jaar zijn er 12 dissertaties aangemeld voor de AVT/Anéla dissertatieprijs. Hoewel dit een mooi aantal is, en de kwaliteit van de ingezonden boeken zeer hoog, spreken de jury en de organiserende instanties de hoop uit dat er volgend jaar met minder schroom zal worden voorgedragen.
De leden van de commissie hebben in eerste instantie ieder 4 à 5 dissertaties gelezen, zodat elk voorgedragen proefschrift door twee leden van de commissie beoordeeld is. Op grond daarvan is een short list van drie dissertaties tot stand gekomen, die daarna door alle juryleden zijn gelezen. Er was een grote overeenstemming binnen de jury omtrent de drie genomineerden hoewel meerdere andere kandidaten ook dicht in de buurt van een nominatie zaten. Vanmiddag hebt U de drie genomineerden aan het woord gehoord.

De commissie heeft zes, deels overlappende en elkaar aanvullende criteria gehanteerd bij de beoordeling van de voorgedragen en genomineerde proefschriften: originaliteit van de onderzoeksvraag en de onderzoeksaanpak, reikwijdte van de probleemstelling, kwaliteit van de methodologie, vakmanschap, impact van het onderzoek, en helder¬heid van de verslaglegging.

De drie proefschriften die vanmiddag zijn gepresenteerd scoren alle drie zeer hoog op de schaal van “impact”; alle drie zullen ze veel besproken worden en deel gaan uitmaken van de standaardliteratuur op hun respectievelijke terreinen. Ook hebben de auteurs van alle drie deze proefschriften op uitmuntende wijze hun eigen werk in de tradities van hun onderzoeksvelden geplaatst. De jury loopt de proefschriften nog even in alfabetische volgorde langs, zodat Blom en Hamann, net zoals deze middag en precies zoals het hoort, het eerst aan bod komen.

Het proefschrift van Elma Blom From Root Infinitive to Finite Sentence, hier in Utrecht verdedigd, levert een belangrijke bijdrage aan het onderzoek van de eerste-taalverwerving. Haar studie beweegt zich op een terrein waarop al veel onderzoek is verricht, dat van de zogenaamde root infinitives en de verwerving van inflectie. Blom is haar onderzoeksobject zeer goed de baas en geeft een bijna encyclopedisch overzicht van wat in het verleden over dit onderwerp te berde is gebracht. De jury is onder de indruk van de rust waarmee ze ogenschijnlijk onoplosbare vragen over sterk uitgeklede data behandelt en tot een overwogen en redelijk antwoord brengt, en de intelligentie waarmee ze vraag¬stellingen formuleert en afwegingen maakt over wat er in de literatuur wordt gezegd. De jury waardeert de zorg waarmee een methodologische kwestie wordt uiteengezet, en de experimenten worden opgezet en uitgevoerd. Nergens overschreeuwt de auteur zich; ze gaat met chirurgische precisie voort op haar pad naar de ontrafeling van de verwerkingsstadia in de werkwoordsvorming.

Het proefschrift van Silke Hamann, The phonetics and phonology of Retroflexes, tevens hier in Utrecht verdedigd, heeft een goed gedefinieerd maar toch zeer weids en omvangrijk onderwerp: dat van retroflexe klanken. Ook hier vinden we een encyclopedisch overzicht over het onderwerp: de dissertatie lijkt alles te behandelen wat wetenswaardig is over retroflexen. Hamann onderzoekt die klanken vanuit articulatorische, akoestische, perceptuele en abstract-fonologische gezichts¬punten, en komt op grond van een uitmuntende literatuurstudie en eigen experimen¬teel werk tot een eigen voorstel. Heel goed is de grondige uiteenzetting van de overlast aan taken die fonetische kenmerken in fonologisch opzicht te dragen hebben: ook hier treft de rust waarmee alles heel precies wordt uitgelegd. Binnen het kader van de “grounded phonology” is dit een meesterwerk.
Het proefschrift van Wouter Kusters, Linguistic complexity, dat in Leiden verdedigd werd, is uitermate origineel en onderzoekt de mate en manier waarop taal-externe factoren taalstructuur beïnvloeden: het is een baanbrekende poging om tot een verklarende theorie van taalverandering te komen, waarin een belangrijke rol toegeschreven wordt aan tweede taalverwerving en de mate van taalverandering gerelateerd wordt aan het type taalgemeenschap: hoe opener de gemeenschap hoe meer taalverandering de kans krijgt. De theorie wordt geïllustreerd aan de hand van drie niet-verwante taalgroepen. Kusters is niet bang gevestigde noties en namen aan te vallen en uit te dagen en zijn werk is in verschillende opzichten zeer gedurfd, avontuurlijk en ambitieus. Daarom zal er, naar de indruk van de jury, ook het meest over geschreven én over gevallen worden.
De commissie heeft een zeer moeilijke afweging moeten maken tussen drie fantastische proefschriften – deze frase wordt niet voor de beleefdheid gebruikt. De commissie meent dat uiteindelijk één proefschrift er met haardikte bovenuit steekt. In dit proefschrift wordt op geheel eigen en zelfstandige wijze verslag gedaan van een intrigerend en belangrijk onderzoeksveld. Het vormt een juweel van empirisch onderzoek binnen een helder beschreven theoretisch kader. In het verslag worden alle consequenties doordacht en opgelost zodat geen losse eindjes overblijven. Daarom heeft de jury besloten de AVT/Anéla-dissertatieprijs 2003 toe te kennen aan een belangrijke studie op het gebied van de eerste taalverwerving, het proefschrift From Root Infinitive to Finite Sentence van Elma Blom.

 


 

JURY RAPPORT ANELA DISSERTATIE PRIJS 2002

Voorzitter:   Prof. dr. A. E. Baker
Andere leden:  Dr. P. Boersma, Prof. dr. J. Koster, Dr. M. van Oostendorp, Prof. L. de Vries
Secretaris: Dr. P. Fikkert

Voor de AVT/Anéla dissertatieprijs 2002 zijn in totaal zeven dissertaties voorgedragen, waarvan er een is teruggetrokken. De zes overgebleven dissertaties zijn in eerste instantie elk door minstens twee leden van de jury gelezen en beoordeeld op de criteria die in de traditie van de uitreiking van de AVT/Anéla dissertatieprijs ontstaan zijn: originaliteit, probleemstelling en motivatie daarvan, wetenschappelijke benadering en methodologie, vakmanschap en meesterschap, en te verwachten impact.

De jury wil allereerst haar teleurstelling uitspreken over het lage aantal voorgedragen dissertaties. We weten niet waarom dit zo is, maar willen in elk geval beginnen met een oproep aan iedereen om nu al goed na te denken over welke dissertaties die dit jaar zijn uitgekomen of nog zullen uitkomen het verdienen voorgedragen te worden. Laat niet de bescheidenheid van de promotoren of, durf ik het te zeggen, luiheid debet zijn aan het lage aantal voordrachten.

Dat gezegd hebbende, vond de jury op zijn vergadering van 10 juni de 6 voorgedragen dissertaties van goed niveau. Van de voorgedragen dissertaties zijn vervolgens drie proefschriften genomineerd, die door alle juryleden gelezen en beoordeeld zijn en verder zijn besproken op een vergadering op 13 september.

Doorgedrongen naar de tweede selectieronde zijn de drie dissertaties die hier vanmiddag kort gepresenteerd zijn. Wij waren het snel eens dat deze drie erbovenuit staken. Maar ze zijn alledrie wel heel erg verschillend van aard: in hun methodologie, in de verhouding empirie – theorie, en in het kader waarin gewerkt is. Dit maakt een vergelijking lastig maar er zijn natuurlijk een aantal criteria waarop een vergelijkende beoordeling wel kan plaatsvinden.

Originaliteit
Alle drie proefschriften zijn origineel maar wel in verschillende mate. Andrea Krott heeft gewerkt vanuit een onderzoeksgroep waarin het centrale thema vastgelegd was; haar werk maakt deel uit van teamwork. Het vraagstuk van die groep, en daarmee van dit proefschrift, is zeer spannend: namelijk de positie van mentale representatie van regels – een vraagstuk dat een belangrijke rol speelt binnen de hedendaagse psycholinguïstiek. Michael Cysouw heeft vooral een beschrijvend werk geschreven maar toont daarin zijn eigen oorspronkelijke ideeën – bijvoorbeeld dat persoon en getal niet te scheiden zijn. Onno Crasborn heeft pionierswerk verricht waarmee hij probeert de interface te onderzoeken tussen fonetiek en fonologie in een gebarentaal.

Probleemstelling
Crasborn wil niet alleen het debat over variatie in gebarentaal aangaan  maar hij wil ook de Nederlandse Gebarentaal beter beschrijven – waarbij deze doelstellingen soms conflicteren. Cysouw wil vooral uit zijn data van zeer veel talen persoonsmarkering goed beschrijven en daarin de verschillende paradigmata onderzoeken. Hij probeert niet zo zeer een typologie van talen maar een typologie van paradigmata te creëren. Krott heeft een heel duidelijke doel voor ogen en maakt dit heel helder met een gezonde arrogantie ten opzichte van anders gezinde.

Methodologie
Cysouw heeft een beproefde weg bewandeld in zijn methodologie; hij is altijd correct in zijn weergave van de gegevens van anderen. In de originele experimenten van Krott wordt veel en vakkundig gebruik gemaakt van statistiek. Crasborn moest een heel nieuwe database opzetten om zijn gegevens te kunnen verwerken – daarbij is een instrument tot stand gekomen dat voor veel andere wetenschappers van belang zal zijn.

Vakmanschap
Alle drie dissertaties betuigen van groot vakmanschap. Over Krott werd door een jurylid geschreven: “Het boek is helder geschreven en gestructureerd; het is volkomen duidelijk wat er beargumenteerd wordt; bovendien is de relatie met de grotere onderzoeksvragen evident”.
Uit een rapport over Crasborn citeer ik: “Crasborn laat zien dat hij veel kennis van gebarentalen in huis heeft, goede deskundigheid en technische expertise bezit voor de dataverzameling en analyses”. Cysouw laat duidelijk zien dat zijn proefschrift erudiet is “niet alleen in de zin dat hij veel grammatica’s heeft gelezen maar hij heeft ook in alle hoeken en gaten van de bibliotheek relevante literatuur opgediept”.

Impact
Alle drie dissertaties zullen hun individuele impact op de wetenschap hebben. Krott omdat zij taalkundigen uit andere stromingen uitdaagt om haar verklaringen te ontkrachten. Cysouw omdat hij een standaardwerk heeft geschreven voor iedereen die zich met persoonsmarkering bezighoudt. En Crasborn omdat hij van een taal in een andere modaliteit een grote hoeveelheid interessante, uitdagende gegevens presenteert, maar ook omdat zijn werk een maatschappelijke relevantie heeft voor de Dovengemeenschap in Nederland.

De jury stond voor een moeilijke beslissing maar is uiteindelijk toch tot een unaniem oordeel gekomen – de AVT dissertatieprijs van dit jaar wordt uitgereikt aan … Onno Crasborn voor zijn proefschrift Phonetic Implementation of Phonological Categories in Sign Language of the Netherlands.